Login | Register   
Review of International Social Questions
 
RISQ
Home
About RISQ
Contact RISQ
Links
Het International Criminal Court (ICC): kansen en obstakels
 
RISQ Reviews | 27 May 2003

Author: Pieter Smidt van Gelder

International Criminal CourtTot voor kort was het ICC met name een postbusnummer in Den Haag. Per 11 maart van dit jaar echter zijn 18 rechters, de griffier en de openbare aanklager in de Ridderzaal in Den Haag officieel beëdigd. In principe kunnen vanaf nu zaken aangebracht worden.

Op 1 april 2002 heeft Hans Corell, plaatsvervangend secretaris-generaal van de VN, tijdens een conferentie in New York tien handtekeningen in ontvangst genomen. Deze handtekeningen zijn de laatste die nog misten om het quotum van zestig te halen die volgens het Statuut van Rome (1998) nodig zijn om het International Criminal Court (ICC) te kunnen laten gaan beginnen. Drie maanden later, op 1 juli 2002, gaat het ICC van start. Dit houdt echter niet in dat vanaf die datum grote en spectaculaire zaken te zien zijn. Eerst moeten nog allerlei praktische en organisatorische zaken geregeld worden. Per 11 maart van dit jaar echter zijn 18 rechters, de griffier en de openbare aanklager in de Ridderzaal in Den Haag officieel beëdigd in aanwezigheid van Koffi Annan en Koningin Beatrix.  Human Right Watch sprak al van in aanleg het belangrijkste instituut voor de bescherming van de rechten van de mens.

Voorgeschiedenis: van Neurenberg tot Oost-Timor

Het idee van een internationaal Strafhof is betrekkelijk nieuw. Tot de 20e eeuw placht men internationale getinte misdrijven als zeeroverij en slavenhandel voor nationale rechtbanken te berechten. De eerste serieuze poging om een internationaal Strafhof tot stand te brengen geschiedt bij het Verdrag van Versailles (1919). Frankrijk en Engeland proberen een Strafhof op te richten om onder andere de Duitse keizer Wilhelm II te berechten. Dit mislukt, voornamelijk wegens machtspolitieke overwegingen.

Na de Tweede Wereldoorlog richtten de geallieerden op twee plaatsen in de wereld internationale rechtbanken op om de oorlogsmisdaden van Duitsland (Tribunaal van Neurenberg; 1945-46) en Japan (Tribunaal van Tokio; 1946-48) te berechten. Deze Tribunalen hebben twee belangrijke karakteristieken. Ten eerste betreft het internationale strafhoven opgericht en beheerst door de overwinnaars. De geallieerden bepaalden het totstandkomen, de juridische inrichting en de praktische afwikkeling van de beide Hoven. Ten tweede betreft het Tribunalen met rechtskracht ex tunc; dit betekent dat ze achteraf, nadat de gruweldaden eenmaal gepleegd waren, opgericht werden en vaak gedrag strafbaar stelden dat  ten tijde van het begaan nog niet strafbaar was. Dit laatste levert grote spanningen op met het nulla poena beginsel, een regel die algemeen aanvaard is in het strafrecht. Dit principe komt er op neer dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke strafbepaling. [1] Het was Anselm von Feuerbach die deze regel voor het eerst formuleerde in 1801: ‘nullum crimen, nulla poena sine praevia lege poenali’.[2] Anders dan het Latijn doet vermoeden, komt het idee niet uit het Romeins recht. De oorsprong ligt in de Verlichting, waarbij de Rechtsstaatgedachte verlangt dat burgers er van op aan kunnen dat de overheid handelt op basis van vooraf vastgestelde regels, en niet volgens willekeur.[3]

Voor het strafrecht betekent dit concreet dat gedrag pas strafbaar kan zijn indien op het moment van begaan ook in de wet vastgelegd was dat deze gedraging strafbaar was.

Terug naar de beide Tribunalen van na WO II. Hoe gek het ook klinken moge, genocide was tijdens deze oorlog nog niet strafbaar. Ook was een misdrijf als agressie niet helder in het oorlogsrecht geregeld. Juridisch gezien was het dus problematisch mensen te veroordelen voor misdaden die ten tijde van het begaan niet in een wet strafbaar gesteld waren. Deze moeilijkheid is ten dele opgelost met een beroep op het natuurrecht. De gedachtegang is dan als volgt. Weliswaar is het een belangrijk beginsel dat veroordeling moet volgen op basis van een wettige strafbepaling, het kan niet zo zijn dat evidente misdaden onbestraft blijven. Ook al waren genocide en agressie niet strafbaar, voor het rechtsgevoel is het duidelijk dat dergelijke misdrijven tegen de menselijkheid niet ongestraft kunnen blijven. Natuurrecht krijgt aldus een prominentere plaats ten koste van rechtspositivisme (recht is slechts dat wat in de wet staat).  

De opstellers van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM, 1950) hebben zich deze mogelijke spanning tussen het nulla poena beginsel en evident immorele daden overigens goed gerealiseerd. In artikel 7 van het EVRM wordt het beginsel ‘no punishment without law’ tot stand gebracht. In het tweede lid van dit artikel echter wordt een uitzondering gemaakt voor een daad die ten tijde van het begaan strafbaar was op grond van ‘general principles of law recognised by the civilised nations’. Het gaat in dit laatste geval meer om strafbaarheid op grond van een soort algemeen aanvaard rechtsgevoel dan om strafbaarheid op grond van de wet.[4]

Inmiddels zijn de misdrijven genocide (1948) en tortuur (1984) bij internationaal verdrag verboden.[5] Het was een Joodse student aan de universiteit van Lvov, Raphael Lemkin genaamd, die zich zijn leven lang heeft ingezet om genocide internationaal strafbaar te stellen. Hij is het ook die het woord geconstrueerd heeft: een samenstelling van het Griekse -geno dat ‘stam’ of ‘ras’ betekent en het Latijnse -cide afkomstig van caedere ‘doden’. Het woord alleen al moet aangeven dat we hier met een speciale categorie criminaliteit van doen hebben: geen enkelvoudige moord of een aantal moorden, maar de systematische uitroeiing van een ras of stam. Voor de holocaust reeds was Lemkin uitgeweken naar Amerika, waar hij begon te werken aan zijn plannen volkenmoord een plaats te geven in het internationaal recht. Het behoeft nauwelijks verbazing te wekken dat de politiek leiders van na 1945 geporteerd waren van zijn idee.[6] 

Eveneens vlak na de oorlog wordt door de Algemene Vergadering van de VN een ‘International Law Commission’ (ILC) ingesteld die de mogelijkheden voor een permanent strafhof gaat bestuderen. Het blijft helaas bij studie. Bij verdere pogingen het internationaal strafrecht te ontwikkelen staat de Koude Oorlog in de weg. Evenals in de politiek is deze periode op het gebied van het recht er één van algemeen wantrouwen. Is vlak na de Tweede Wereldoorlog een grote meerderheid nog voor het totstandkomen van een internationaal strafhof (het is ook in deze periode dat de VN ontstaat), met het aanbreken van de Koude Oorlog wenst niemand de eerste stap te zetten. Dit heeft onder meer tot gevolg dat zeer bloedige conflicten in Chili, Argentinië en El Salvador grotendeels onberecht blijven. Niet toevallig luidt de val van de muur ook op het gebied van het internationaal recht een nieuwe impuls in. De VN stellen een ‘Internationale Commissie voor Internationaal Recht’ in, die de mogelijkheden voor een internationaal strafhof gaat bestuderen.

Begin jaren negentig ontstaan dan ook de eerste internationale strafhoven na Neurenberg en Tokio. Hier te lande is waarschijnlijk het Tribunaal voor Ex-Joegoslavië (ICTY) het meest bekend, wegens zijn vestiging in Den Haag.[7] Dit Hof heeft twee zeer belangrijke karakteristieken. Allereerst is het opgericht toen de oorlog in het voormalig Joegoslavië nog in volle gang was. Ten tweede was vrijwel de gehele internationale gemeenschap betrokken bij de oprichting. Anders dan de Tribunalen voor Duitsland en Japan betreft het dus geen berechting door ‘geallieerden’. Bovendien ontbreekt de spanning met het bovengenoemde nulla poena beginsel, nu misdaden tegen de menselijkheid bij internationale verdragen strafbaar gesteld zijn. In de zaak tegen Dusko Tadic (1995) is nog geprobeerd de bevoegdheid van de VN tot het oprichten van een internationaal Tribunaal aan te vechten, maar het Hof maakte hier korte metten mee en honoreerde een dergelijk verweer niet. Overigens komt ook Milosevic tot op heden, vanaf zijn eerste verschijning voor het Hof op 3 juli 2001, telkens op dit punt terug.

Met het tribunaal voor ex-Joegoslavië zijn derhalve twee grote doorbraken ineen bereikt. Er is niet afgewacht tot de oorlog voorbij was met het instellen van een tribunaal. Bovendien staan in de rechtszaal niet winnaars tegenover verliezers, maar vertegenwoordigers van de wereldgemeenschap tegenover oorlogsmisdadigers. Deze doorbraken vormen twee zeer belangrijke verschillen met Tokyo en Neurenberg en waarschijnlijk de onmisbare opmaat tot het instellen van het Internationaal Strafhof. 

Eveneens begin jaren negentig is het Strafhof voor Rwanda (ICTR) tot stand gekomen,[8] dat zitting houdt in Arusha, het buurland Tanzania en tot op heden dezelfde aanklager heeft als het Strafhof voor ex-Joegoslavië (Carla del Ponte). Het lijkt erop dat de wereldgemeenschap bij deze koelbloedige broedermoord op 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s niet meer de ogen wilde sluiten. Ook dit Tribunaal is opgericht door de VN, hetgeen inhoudt dat alle VN-lidstaten verplicht zijn om mee te werken, bijvoorbeeld om verdachten uit te leveren.

Minder prominent in het nieuws, maar desondanks van groot belang zijn de Tribunalen van Oost-Timor, Cambodja en Sierra Leone (in oprichting). In de voormalig Portugese kolonie Oost-Timor hebben vanaf 1999 Indonesische soldaten en Timorese paramilitairen duizenden mensen vermoord, verkracht en verdreven van hun land. Het Hof dat er nu zetelt moet het stellen met een zeer beperkte infrastructuur, te weten ca. zeven aanklagers en dertig rechercheurs. Wat betreft Cambodja heeft koning Norodom Sihanoek op 10 augustus 2002 zijn handtekening gezet onder een wet die een tribunaal in het leven roept voor de Rode Khmer. Dit tribunaal zal de mensen gaan berechten die tussen 1975 en 1979 verantwoordelijk waren voor het ombrengen van naar schatting 1.5 miljoen Cambodjanen. Het Tribunaal wordt gevestigd in Phnom Penh en zal bestaan uit zowel Cambodjanen als VN juristen en buitenlandse rechters. Voor Sierra Leone ten slotte vinden onderhandelingen plaats tussen Koffi Annan en de Regering. Tijdens de burgeroorlog in dit land (1991-1999) tussen regering en rebellen van het Verenigd Revolutionair Front (RUF), werden duizenden mensen vermoord of verminkt. Kinderen zijn dikwijls gedrogeerd en ingezet als soldaat. De totstandkoming en het functioneren van dit Tribunaal worden bemoeilijkt door een akkoord tussen regering en rebellen, waarbij veel misdadigers amnestie hebben verkregen in ruil voor vrede. 

Bij al deze tribunalen valt het ad hoc karakter op. De Hoven zijn opgericht ter berechting van misdadigers in één specifiek conflict in één land. Deze ad hoc basis is ook meteen de voornaamste aanleiding tot kritiek. Enerzijds valt niet goed in te zien waarom juist deze misdadigers in deze (burger)oorlogen berecht moeten worden, terwijl men andere conflicten ongemoeid laat. Anders gezegd: wat maakt de oorlogen van Joegoslavië, Rwanda, Sierra Leone en Cambodja zo anders dan de oorlogen in Tsjetsjenië, Colombia, Nigeria en Soedan? Waarom zijn voor de eerste groep landen wel Tribunalen opgericht, en voor de tweede niet? Dikwijls lijkt het erop dat politieke mogelijkheden (en opportunisme) meer gewicht in de schaal leggen dan morele argumenten of overwegingen van rechtsgelijkheid. Feitelijk blijven de superieuren in laatstgenoemde conflicten ongestraft. Het is de vraag of de oprichters van de Tribunalen van de jaren negentig wel een goed antwoord hebben op de kritiek van hen die berecht worden: waarom ik wel en zij niet?

Anderzijds is het de ad hoc basis zelf die aanleiding geeft tot kritiek. Zou het na decennia van initiatieven en ideeën niet eens tijd worden voor de oprichting van een permanent internationaal strafhof, dat zich niet richt op één conflict maar op misdaden tegen de menselijkheid in het algemeen?

De totstandkoming van het International Criminal Court

En zo kwam men langzaam aan tot de oprichting van een ‘International Criminal Court’ (vanaf nu: ICC). Op 17 juli 1998 komen 120 landen te Rome samen en zetten hun handtekening onder een Statuut voor de oprichting van het ICC. Belangrijk bij dergelijke verdragen die internationaal recht scheppen evenwel is niet alleen het tekenen op het moment zelf, maar ook het ratificeren door nationale parlementen achteraf. Maar al te vaak zijn landen huiverig voor het uit handen geven van macht aan internationale fora. Vandaar dat de verschillende parlementen ook nog apart, na het sluiten van het verdrag, hun toestemming moeten geven. Eerst na zo’n ratificatie committeert een land zich volledig aan het ICC. Het Statuut van Rome bepaalde dat het ICC in werking zou treden als 60 landen geratificeerd zouden hebben. Dit aantal is bereikt op 11 april 2002. Als officiële begindatum van het ICC geldt nu 1 juli van dat jaar. Dit betekent feitelijk dat de totstandkoming veel sneller is gegaan dan verwacht. In 1998 werd nog rekening gehouden met een termijn van tien tot twintig jaar.  

Met de creatie van het ICC is zonder overdrijven sprake van een unicum in de geschiedenis van het internationaal recht. Om te beginnen is dit strafhof niet, zoals de verschillende Hoven van Neurenberg tot Oost-Timor, opgericht voor de berechting van een specifiek conflict. Op zich is het een mooi streven een Strafhof op te richten om oorlogsmisdaden te berechten, maar als dit naar willekeur de ene keer wel en de andere keer niet gebeurt, houdt de wereldgemeenschap zelf zich niet aan elementaire juridische normen. Ten tweede is het ICC geen hof met rechtsmacht ex tunc. Het grote verwijt dat de beide post WO II Tribunalen trof, is hun oprichting nadat de feiten eenmaal begaan waren. Het beginsel van rechtszekerheid vereist echter dat gedrag strafbaar is en een rechtbank om te straffen reeds bestaat op het moment van begaan van het strafbaar feit. Voor het ICC is dan ook bepaald dat van terugwerkende kracht geen sprake zal zijn: alleen in aanmerking komen feiten die gepleegd zijn na 1 juli 2002, de oprichtingsdatum van het Hof (artikel 11).[9]

Een ander belangrijke vooruitgang is het werkelijk internationale karakter van het ICC. In beginsel zal aan het Hof wereldwijde rechtsmacht toekomen. Dit houdt overigens niet in dat het ICC overal ter wereld zal ingrijpen, ook al is een land al begonnen met berechting. In feite bestaat het ICC voor de situatie dat het land dat jurisdictie heeft ofwel niet in staat is te vervolgen, ofwel hier niet toe bereid is (artikel 17 : ‘the State is unwilling or unable genuinely to carry out the investigation or prosecution’). Bij de eerste situatie moeten we denken aan een land waarvan de elementaire infrastructuur ingestort is (in een burgeroorlog bijvoorbeeld). ‘Niet bereid’ houdt in dat een land tracht te voorkomen dat iemand onder zijn jurisdictie berecht wordt.[10] Grote doorbraak is dat het ICC ook rechtsmacht kan hebben tegen onderdanen van landen die niet geratificeerd hebben (werking erga omnes), zoals in artikel 12 lid 1 en 2 is bepaald.

Belangrijk is verder dat het ICC geen rechtsmacht zal hebben over elk soort misdrijven. Alleen over limitatief opgesomde misdaden zal het ICC rechtspreken. Het betreft drie groepen.[11] In artikel 6 is genocide omschreven: ‘daden begaan met het oogmerk van gehele of gedeeltelijke vernietiging van een nationale, etnische, raciale of religieuze groep’. Hieronder vallen onder meer het doden van leden van de groep en het instellen van maatregelen om geboorten binnen de groep te verhinderen. De omschrijving van genocide is daarmee woordelijk overgenomen van artikel II Geneefse Conventie. Ten tweede de ‘misdaden tegen de menselijkheid’ (artikel 7): moord, uitroeiing, deportatie, verkrachting en slavernij, mits op grote schaal en systematisch gepleegd. Ten slotte zijn volgens artikel 8 de oorlogsmisdrijven strafbaar gesteld, oftewel de misdaden begaan in situaties van een gewapend conflict, zoals marteling, verminking, collectieve straffen en terechtstellingen zonder proces. Opvallend is dus dat de opstellers van het Statuut van Rome het oog hebben op de zwaarste categorie misdaden, waarbij ook een zeker systematisch karakter vereist is. Het lijkt mij verstandig de rechtsmacht van het Hof te beperken en alleen de excessen in misdaad en geweld voor te brengen. Belangrijk is immers de algemene werking die van het ICC uitgaat. Concentratie op de (limitatief opgesomde) zwaarste categorie zal de effectiviteit van het Hof ten goede komen. Zo is er bewust voor gekozen een delict als drugshandel buiten de rechtsmacht van het ICC te houden.

Bovendien is de rechtsmacht beperkt ten aanzien van de categorie verdachten. Vervolging richt zich tegen personen, niet tegen staten of organisaties. Ook mensen die ten tijde van het begaan van het misdrijf de leeftijd van 18 nog niet hadden bereikt, kunnen niet voor het ICC worden gedaagd. De maximaal op te leggen vrijheidsstraf zal 30 jaar bedragen, daarnaast zijn geldboetes mogelijk. In uitzonderingsgevallen kan ook levenslang opgelegd worden (‘extreme gravity of the crime and individual circumstances of the convicted person’, artikel 77).

Zeer belangrijk is de rol van de aanklager (artikel 15). Niet alleen vervolgt hij op verzoek, hij kan ook op eigen initiatief (proprio motu) overgaan tot vervolging. Het is precies deze procedure die weigerende landen als de VS en China schrik aanjaagt. Overigens is deze regeling waarbij de aanklager ongevraagd tot vervolging overgaat wel met waarborgen omkleed. Zo moet hij eerst toestemming krijgen van een speciale kamer van het Hof. Bovendien is bepaald dat wanneer de aanklager een dergelijke procedure start, het onderzoek door de Veiligheidsraad geblokkeerd kan worden (zij het met unanimiteit).

Het ICC: een juridische spraakverwarring?

Deze doorbraken betekenen nog niet dat het functioneren van het ICC van een leien dakje zal gaan. Bij een internationaal strafhof is allereerst de vraag welk recht of rechtssysteem eigenlijk van toepassing zal zijn. Alleen al in Europa is sprake van grote verschillen tussen de ‘common law’ traditie van Engeland en het meer op Romeins recht geënt continentaal recht. In Engeland is het recht grotendeels ongeschreven en nemen rechterlijke beslissingen een cruciale plaats in. Op het Europese vastenland zijn bijna alle regels gecodificeerd en komt aan gewoonterecht bijna geen plaats toe. Ook wat betreft het strafprocesrecht bestaan grote verschillen. Zo is het Angelsaxische recht voornamelijk accusatoir gericht: in de rechtszaal staan twee (verondersteld) gelijke partijen tegenover elkaar (de aanklager en de verdediging), terwijl de rechter als neutrale derde beslist. In een land als Nederland is het strafproces veeleer inquisitoir: de rechter heeft ter terechtzitting een actieve rol bij de waarheidsvinding en aanklager en verdediging staan minder nadrukkelijk tegenover elkaar. Ook op het punt van afwijkende meningen van een minderheid van de rechters (‘dissenting opinion’) zijn er verschillen in rechtssystemen. In Engeland maakt de minderheid zijn standpunt kenbaar, op het vasteland brengt het ‘geheim van de raadkamer’ mee dat naar buiten toe de beslissing met unanimiteit genomen is: ook al was een rechter het er niet mee eens, dit laat hij niet weten.

Een mooi voorbeeld van verschillen in rechtssystemen, waar in de praktijk een oplossing voor gevonden moest worden, leverde de zaak Erdemovic (1997) bij het ICTY. De verdachte gaf toe weerloze gevangenen doodgeschoten te hebben, maar hij had geen keus: deed hij het niet dan zou hij zelf doodgeschoten worden. Volgens continentaal recht kan niet van iemand gevergd worden zijn eigen leven te offeren voor dat van anderen. Vrijspraak moet dus volgen. In de Angelsaksische rechtstraditie is het nemen van het leven van een ander nooit gerechtvaardigd. De omstandigheid van dwang kan alleen gecompenseerd worden met de strafmaat. In casu werd gekozen voor de laatste benadering. Voor het ICC is in artikel 33 gekozen voor een tussenoplossing: onder omstandigheden kan het dienstbevel een strafuitsluitingsgrond vormen.

Nog afgezien van deze tegenstelling tussen ‘common law’ en continentaal recht is het de vraag welke plaats toekomt aan niet Westerse rechtssystemen. In sommige Afrikaanse landen bijvoorbeeld is het recht veeleer gericht op verzoening en bemiddeling dan bestraffing. Uiteindelijk is in artikel 21 lid 1 sub c van het Statuut bepaald dat, voor zover het Statuut en internationaal recht niet van toepassing zijn ‘general principles of law derived by the Court from national laws of legal systems of the world’ van toepassing kunnen zijn. Hier wordt mijns inziens een wat dubieuze ingang gegeven aan nationaal recht in het internationaal rechtssysteem. Weliswaar is dit gebruik met waarborgen omkleed (eerst moet gekeken worden naar internationaal recht), de vraag blijft onbeantwoord welk nationaal recht dan toepassing moet vinden en vooral waarom juist dat recht. 

Eén en ander maakt duidelijk hoezeer het ICC in een juridisch vacuüm opereert. De rechters en aanklager moeten werken met ofwel regels die wel bestaan maar nog nooit zijn uitgevoerd, ofwel met gevallen waar nog duidelijke geen regels voor geschreven zijn. Deze ‘juridische toren van Babel’ zal wel een van de eerste en grootste obstakels worden voor het welslagen van het ICC.

Van de rechter en de politieagent

Maar niet alleen in juridische, ook in politieke zin gaat het ICC een onzekere toekomst tegemoet. Met name in het internationaal recht is altijd sprake van een zekere spanning tussen enerzijds politiek of macht en anderzijds recht. Zeer duidelijk is dit bij het instellen van de ad hoc Tribunalen voor Rwanda en voormalig Joegoslavië aan de orde geweest. De beide Tribunalen boeken dan wel juridische successen, feitelijk markeren ze ook de onwil of onmacht van de VS en de EU om (militair) in te grijpen als het conflict aan de gang is. Het is evenwel de vraag of het een wel zonder het ander kan. Om misdrijven te kunnen berechten zijn ook opsporingsambtenaren nodig om de misdadigers op te pakken. In het geval van een internationaal Strafhof zou dus iets als een internationale politie nodig zijn. Probleem blijft echter wie deze politietaken dan uit zou moeten voeren. Een organisatie als de Navo zal voor velen buiten Europa en de VS als ‘te westers’ gezien worden. De VN hebben nauwelijks ervaring met het opsporen van strafbare feiten. De fundamentele moeilijkheid die aan deze kwesties ten grondslag ligt, is de politieke bereidheid in te grijpen als conflicten aan de gang zijn. Zolang de wereldgemeenschap kiest voor risicomijdend gedrag (liever pas iets doen als het conflict afgelopen is) en het inzetten van grondtroepen taboe is, blijft een instelling als het Internationaal Strafhof een doekje voor het bloeden (maar al te letterlijk).

De verhouding tussen politiek en recht kwamen ook heel prominent naar voren in het geval Milosevic. Lange tijd leek het onmogelijk hem voor het ICTY te brengen. Dit zou het nog steeds geweest zijn, ware het niet dat de VS dreigden de donorconferentie voor voormalig Joegoslavië af te zeggen wanneer Milosevic niet zou worden uitgeleverd. Het kan dus van groot belang zijn (economische) druk op een land uit te oefenen om verdachten voor het Hof te krijgen. De vraag is dan natuurlijk wel wie die druk uit zou moeten oefenen en wat te doen als druk niet effectief is. Het uitgeleverd krijgen van de ‘hot shots’, is in het internationale recht veeleer een politieke dan een juridische aangelegenheid.[12]

Juist in dit licht is de consequente weigering van de VS het Statuut te ratificeren een doorn in het oog. Waar de VS een zeer belangrijke functie zouden kunnen hebben in het welslagen van het ICC, hebben zij tot nu toe eerder een torpederende rol gespeeld. De handtekening die Clinton in een van zijn laatste dagen van zijn termijn zette, is door Bush weer ingetrokken. Waar zijn de Amerikanen eigenlijk bang voor? Washington redeneert dat Amerikaanse soldaten een grotere kans lopen dan anderen om voor het ICC te komen, aangezien Amerikanen vaker betrokken zijn bij vredesmissies.[13] Colin Powell heeft dan ook laten weten dat het ICC niet moet gelden voor Amerikaanse diplomaten, militairen en politici. Het geval zou zich kunnen voordoen dat een soldaat van de VS zich in land X schuldig maakt aan een oorlogsmisdaad. Als land X nu niet bereid is deze soldaat te berechten (bijvoorbeeld uit angst voor represailles van de VS), maar er ook weinig voor voelt de soldaat uit te leveren aan de VS, dan zou het land ervoor kunnen zorgen dat de Amerikaanse soldaat voor het ICC komt. Ook kan de aanklager van het Internationaal Strafhof op eigen initiatief overgaan tot vervolging. Vandaar dat de VS druk bezig zijn met het sluiten van bilaterale verdragen die het uitleveren van Amerikanen aan het ICC verbieden. De juridische status van dergelijke verdragen is echter twijfelachtig (om nog maar te zwijgen van een ridicuul initiatief als ‘The Hague Invasion Act’). Juristen van het ICC hebben laten weten dat dergelijke bilaterale verdragen binnen het systeem van het Statuut van nul en generlei waarde zijn.

Wat er natuurlijk eigenlijk achter de Amerikaanse weigering zit, is de angst voor de ogen van de wereldgemeenschap in zaken voor het ICC ‘te kijk te worden gezet’. De kans dat de aanklager op eigen houtje de procedure ex artikel 15 begint, is betrekkelijk klein. Buitendien is de Amerikaanse weigering juridisch onjuist. Als hun soldaten zich nergens schuldig aan maken, dan zullen ze ook niet veroordeeld worden. Begaan zij wel misdaden, dan moeten zij berecht. De VS zijn van plan hun militairen nog steeds voor speciale eigen militaire rechtbanken te brengen, die de eigen mensen licht straffen. Maar de basis van het ICC is juist dat niemand, van welk land ter wereld ook, zich schuldig mag maken aan genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. Ook Amerikanen niet.

De weigering van de VS (en overigens ook van landen als China en Israël) om te ratificeren geeft een penibel probleem aan. Hebben landen het Statuut van Rome eenmaal geratificeerd, dan zijn zij ook verplicht mee te werken en is er niets aan de hand.[14] Maar de positie van landen die niet ratificeren is onduidelijk. Zijn hun onderdanen betrokken bij een misdaad waarover het ICC jurisdictie heeft in een land dat het Statuut wel geratificeerd heeft, dan kunnen zij in beginsel voor het ICC gebracht worden. Omgekeerd zal het moeilijk worden een onderdaan van een Lid-Staat die zich bevindt in een niet Lid-Staat naar het ICC te krijgen.

Toekomstbeeld

Deze problemen ten spijt, kan de betekenis van het bestaan van het International Criminal Court nauwelijks overschat worden. Voor het eerst heeft de wereld een Internationaal Strafhof op permanente basis. Voor de eerste keer werken juristen en politici uit een groot aantal landen samen om de ergste misdrijven van de toekomst niet onbestraft te laten. Zeer positief is ook dat de samenwerking rond het ICC een gematigd supranationaal karakter heeft, waarbij internationale samenwerking niet gemakkelijk geblokkeerd kan worden door een of twee dwarsliggers. Anderzijds moeten we ons lijkt mij niet te veel illusies maken over de praktische betekenis van het ICC, althans niet op de korte termijn. In de eerste plaats zal het nog wel een tijd duren voor het Hof echt operationeel zal zijn. Veel spectaculaire en grote zaken hoeven we de komende jaren nog niet te verwachten. Ten tweede is het nog maar de vraag of er een matigende werking van het bestaan van het Hof uitgaat, in de zin dat misdadigers van de toekomst weten dat hun daden niet meer per definitie onbestraft blijven. Daarnaast zullen we moeten afwachten in hoeverre het ICC in de machtspolitieke praktijk succesvol zal zijn. Juridisch gezien lijkt het Statuut redelijk evenwichtig, dit is echter nog geen garantie voor het welslagen van het ICC. Hoe dan ook, na vijf decennia juridische strijd is het pleit nu beslecht in het voordeel van een permanent strafhof met wereldwijde rechtsmacht. Voorwaar een goede zaak.


[1] G. Knigge / D. H. de Jong, Het materiële strafrecht, Deventer: Gouda Quint 1995, p. 27. Zie ook J.M. van Bemmelen / Van Veen, Ons Strafrecht, p. 56

[2] Ook de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen (1789) en de Bill of Rights (1776) van Virginia hebben een denkbeeld van gelijke strekking. Dit gaat weer terug op de Habeas Corpus Act (1679) en artikel 39 van de Magna Charta (1215): geen gevangenneming, verbanning of vogelvrijverklaring is mogelijk dan nadat de ‘vrije man’ is aangeklaagd en een wettig vonnis is gewezen.

[3] Vòòr Anselm von Feuerbach vermeldt Montesquieu in zijn boek De l’esprit des lois (1748): ‘Les juges de la nation ne sont […] que la bouche qui prononce les paroles de la loi, des êtres inanimés qui n’en peuvent modérer ni la force ni la rigueur’. In deze zin zegt ook de econoom Beccaria in zijn boek Dei delitti e delle pene (1764) : ‘Alleen wetten kunnen de straf bepalen voor ieder delict ; het recht strafwetten te maken kan slechts berusten bij de wetgever’.

[4] Men zou dit artikel kunnen zien als een codificatie achteraf van hetgeen er feitelijk gebeurd is bij de berechtingen in Neurenberg en Tokio.

[5] Op 9 december 1948 nemen de VN de Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide aan. De VS weigeren te ratificeren. Pas na het zeer intensieve werk van senator Proxmire, die 3200 toespraken over het onderwerp houdt, ratificeert de Amerikaanse Senaat het verdrag in 1986. The Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment wordt op 10 december 1984 aangenomen.

[6] Zie hieromtrent ook P. Scheffer, ‘Volkenrecht op kousenvoeten’, in: NRC Handelsblad d.d. 23 augustus 2002, p. 27.

[7] Opgericht bij VN resolutie 827 van 5 mei 1993.

[8] VN resolutie 955, in werking 8 November 1994.

[9] De zogenaamde ratione temporis: ‘The Court has jurisdiction only with respect to crimes committed after the entry into force of this Statute’ (artikel 11 lid 1). De nullum crimen sine lege regel en het principe van nulla poena sine lege zijn opgenomen in de artikelen 22 en 23.

Voor de Wetteksten is gebruik gemaakt van: Chr. Van den Wyngaert, International Criminal Law. A collection of international and European instruments, Den Haag: Kluwer Law International 2000.

[10] www.icc-cpi.int

[11] Behalve de genoemde drie groepen is ook het misdrijf van agressie opgenomen. Aangezien partijen het echter niet eens konden worden over de inhoudelijke invulling hiervan, blijft deze bepaling vooralsnog een dode letter. Zie ook I. Bantekas, D. Nash & M. Mackarel, International Criminal Law, London: Cavendish Publishing 2001, p. 126

[12] Zie in deze zin ook C. Samary, ‘Les incohérences du Trubunal pénal international’,in: Le Monde diplomatique: ‘Le transfèrement de M. Slobodan Milosevic au Tribunal pénal international pour l’ex-Yougoslavie (TPIY) le 28 juin 2001 passera-t-il dans l’histoire comme une avancée du droit international ou comme un acte de subordination politique et marchande du nouveau gouvernement de Serbie et de son premier ministre Zoran Djindjic à la politique des Etats-Unis?

[13] Agressief ingrijpen in andere landen nog daargelaten. Maar goed, Irak was nog niet werkelijk aan de orde ten tijde van de discussie over het ICC.

[14] Art 86: ‘States Parties shall, in accordance with the provisions if this Statute, co-operate fully with the Court in its investigation and prosecution of crimes within the jurisdiction of the Court’.



ICC Website
Published on 27 May 2003 by RISQ
© Pieter Smidt van Gelder | www.risq.org
All rights reserved.

5480 reads
Language
Select a language
Links
ICC Website
About Pieter Smidt van Gelder
RISQ Reviews
Dossier
 Links
 Articles
UN & Human Rights
Recent articles:
Asymmetric Conflicts: a Challenge to International Humanitarian Law
Lecture US Supreme Court Justice A. Scalia
Debate 'Divided Nations'
Who's afraid of the US?
General Assembly: Uniting for Peace
Options
Printer VersionPrinter Version
Send to a FriendSend to a Friend
Post Comment
Most recent:
abc
abc
Review of International Social Questions







Copyright © 2003 - 2005 RISQ | Review of International Social Questions.

Terms of Use
You can syndicate our articles using the RISQ Newsfeed
New by RISQ: My Headlines | News for professionals My Headlines | Newsfeeds in your mailbox!

Login: Administrators | Users

Engine's code © 2002 by PHP-Nuke
Page Generation: 0.069 Seconds
Alles over Asbest
Score Filmmuziek Magazine en Cinemusica Nederlandse Componisten Database
Score Film Music Magazine and Cinemusica Dutch Composers Database
My Headlines | All News Sources
My Headlines | News Sources by Topic
My Headlines | Democracy Headlines
My Headlines | Newsletters